Pim en Mees

Hand in hand, de ene duim wrijvend over de ander, huppelend over het trottoir.  Samen richting school.  ‘Ik ken de tafel van 3 beter dan jij’, schreeuwde Pim z’n vriendinnetje toe.  ‘Niet waar, ik ken hem beter’, ‘3 maal 3 is negen’, ‘zie je wel, ik ken hem béter’, taterde Mees.  ‘Wedstrijdje doen?’, Pim daagde z’n schoolkameraadje uit.  Ze stopten beide langs de kant van de Hoofdstraat en gingen tegenover elkaar staan  Toeterende en schreeuwerige auto’s raasden hen in sneltempo voorbij.  Maar zoals het 8-jarigen betaamd, zaten ze volledig in hun eigen wereldje.

‘Jij hebt verloren’, zei Pim op z’n eigen vastberaden manier, armen over elkaar geslagen.  ‘Niet waar, je hebt vals gespeeld’, huilde Mees.  ‘Oh komaan nou, niet huilen’, Pim legde z’n arm over Mees haar schouders heen, ‘het was toch maar een spelletje en nu hebben we nog eens geoefend voor meester Nico’.  Pim probeerde z’n vriendinnetje te troosten, hoe competitief hij ook was, die empathische kant kon hij nooit ontwijken.  Het was alsof het hem overviel, als Mees huilde, huilde hij mee.  Niet echt natuurlijk, niet met dikke bengelende tranen zoals zij.  Maar in z’n hart.  Hij omschreef het altijd als ‘een duw in m’n buik en een traan achter m’n ogen’.  En dat had hij enkel bij Mees, en z’n ouders natuurlijk, en z’n broertje, en de hond als die jankte.

Na schooltijd huppelden ze zoals altijd samen terug naar huis.  Een afspraak die in het begin van het schooljaar gemaakt werd tussen hen en beide ouders, ook buren genoemd.  Ze mochten de weg van en naar school alleen afleggen, als ze maar samen bleven.  Geen haar op Pim z’n hoofd die eraan dacht deze afspraak te verbreken.  Hij voelde zich volwassen en stoer om dit te doen en een beetje de beschermengel van Mees natuurlijk.

‘Wat ga jij eten strakjes?’, vroeg Pim aan z’n vriendinnetje.  ‘Oh waarschijnlijk nog een boterham met choco, daarna moet ik patatjes met broccoli’.  Mees haar gezicht vertrok in een verrimpelde grimas.  ‘En jij?’, vroeg ze nieuwsgierig terug.  ‘Een koek met chocolade en daarna eten wij rijst met kip’, ‘weet je Mees, je moet echt eens bij ons blijven eten’, Pim z’n ogen twinkelden als hij eraan dacht.  ‘Dan krijgen we vast nog een chocoladedessertje als beloning’.
Pim nam opnieuw de hand van z’n klasgenootje beet, ‘ik vraag het straks aan mama, misschien mag je morgen dan al blijven’.

Terwijl ze samen dromend over het trottoir verder liepen, werd hun toekomst reeds gevormd.  Zonder het te beseffen hadden ze bij elkaar een connectie gevonden die een unieke band smeedde.  Als kind stonden ze er niet bij stil, jaren later beseften ze de inpak van hun jeugd en bovenal de omgang met elkaar.  Als een onzichtbaar touwtje waren ze verbonden, altijd in elkaars leven.  

Xxx     Sarah

Geef een reactie